Naar aanleiding van het waardevolle blogbericht van Pedro De Bruyckere over mogelijke risico’s van welzijnsprogramma’s op school, heb ik mijn eerdere berichten over mindfulness en mentaal welzijn nog eens samengebracht. Ik deel de bezorgdheden uit het onderzoek waarover Pedro bericht. Tegelijk denk ik – zoals ook Pedro aangeeft – dat de conclusie niet hoeft te zijn dat mindfulness op school geen plaats heeft. De vraag is eerder wanneer, voor wie, waarom en onder welke omstandigheden het betekenisvol kan zijn. En misschien nog belangrijker: hoe we van welzijn geen zoveelste programma maken, maar ruimte creëren voor aandacht, verbinding en menselijkheid op school. Dit was trouwens ook mijn boodschap is mijn blog van juni: Ruimte om te ademen.
Mindfulness kan waardevol zijn in onderwijs. Maar het wetenschappelijk onderzoek dwingt ons tegelijk tot voorzichtigheid. Grote studies zoals MYRIAD laten zien dat een universeel mindfulnessprogramma op school niet automatisch leidt tot een betere mentale gezondheid van jongeren. Jongeren zijn niet vanzelf gemotiveerd, implementatie blijkt vaak moeilijk en de effecten verschillen tussen leerlingen (‘implementatiekloof’).
Mindfulness is geen idee dat je aan leerlingen kunt uitleggen en vervolgens afvinken. Zoals Mark Williams het helder formuleert: ‘het is alsof je één keer naar de fitness gaat en vervolgens verwacht fit te worden. Het gaat niet alleen om het kennen van mindfulness, maar om het ontwikkelen van een praktijk’.
Daarmee verschuift de focus van een programma naar een praktijk. Mindfulness hoeft geen apart vak, een achtwekenprogramma of een interventie voor alle leerlingen te zijn. Yoga, meditatie, ademhaling en mindfulness kunnen ook manieren zijn om in de dagelijkse schoolpraktijk ruimte te maken voor aandacht, rust, lichaamsbewustzijn, emotieregulatie, verbinding en zelfzorg (Ruimte om te ademen).
Maar ook dan geldt: one size does not fit all.
Leerlingen ervaren mindfulness verschillend. Wat voor de ene leerling rustgevend is, kan voor een andere leerling ongemakkelijk of zelfs bedreigend zijn. Daarom is keuzevrijheid belangrijk: verschillende vormen aanbieden, ruimte laten om wel of niet deel te nemen en de persoonlijke ervaring van leerlingen ernstig nemen.
Dat vraagt van scholen iets anders dan een kant-en-klaar programma invoeren. De vraag is immers niet ‘welke oefening werkt’, maar wat heeft deze leerling, deze groep, op dit moment nodig?
Want denken over welzijn op school, is meer dan oplossingen zoeken voor stressreductie, veerkracht of zelfregulatie. Het gaat ook over verbinding, betekenis, empathie, rechtvaardigheid, verwondering en leren samenleven. Wie uitsluitend leerlingen leert omgaan met stress, loopt het risico voorbij te gaan aan de omstandigheden die stress veroorzaken.
Dat is misschien wel de belangrijkste waarschuwing of zoals Hargreaves en Shirley het verwoorden: “Notwithstanding the benefits of movements such as mindfulness and resilience, overinvesting our hopes in them can mean we stop looking outward at what’s causing problems in the first place.”
We mogen mindfulness dus niet gebruiken om leerlingen beter te leren functioneren in een omgeving die zelf voortdurend te veel, te vol en te snel is. Als de schoolomgeving gekenmerkt wordt door prestatiedruk, overprikkeling, onveiligheid of een gebrek aan verbinding, is een ademhalingsoefening niet het antwoord.
Welzijn op school vraagt dus twee bewegingen tegelijk:
- naar binnen gericht: leerlingen en leerkrachten leren aandachtig omgaan met hun gedachten, gevoelens, emoties, lichaam en ervaringen;
- naar buiten gericht: kijken naar de relaties, de schoolcultuur, de leeromgeving en de maatschappelijke (grootstedelijke) omstandigheden waarin kinderen en jongeren leven en leren.
Daarom is mindfulness voor mij geen wondermiddel en ook geen doel op zich. Het is één mogelijke praktijk om ruimte te maken voor aandacht, aanwezigheid en verbinding. En dat laatste mag wel een doel op zich zijn.
Dit blogbericht is een synthese van eerdere blogberichten over hetzelfde thema. Je kan die hier lezen.

“Regelmaat en rust zijn basisvoorwaarden voor groei. Een rustige, veilige en overzichtelijke school- en klasomgeving biedt de noodzakelijke voedingsbodem voor de cognitieve, affectieve en sociale groei van de leerlingen.” – rapport Brinkman 2021